|
Wet op de lijkbezorging
Artikelen die betrekking hebben op crematoria
4.2.2 Verstrooien van crematie-as
Aangaande de asverstrooiing zijn de nodige wettelijke veranderingen opgetreden. Bij Wet van 9 april 1998 is een wijziging van de Wlb (en ook op het Blb) met als onderwerp verruiming van de mogelijkheden van asbestemming in werking getreden.
Aan de as, die resteert na het crematieproces, kunnen diverse bestemmingen worden gegeven. In Nederland is verstrooiing de meest voorkomende vorm. Deze kan plaatsvinden op een strooiveld, boven open zee of op een voor de overledene of nabestaanden dierbare plaats.
· Strooivelden
Het komt voor dat strooivelden relatief klein van omvang zijn, en er per tijdseenheid een grote belasting van de bodem met as en zware metalen plaatsvindt. Indien deze belasting met mineralen bezien wordt in het licht van kringloopprocessen, zal er soms sprake zijn van een locale overbelasting van mineralen in de bodem.
· Asverstrooiing op een dierbare plaats (incidentele asverstrooiing)
Vanwege de toenemende maatschappelijke behoefte aan asverstrooiing op een dierbare plaats is onderzoek verricht naar de milieueffecten van deze vorm van asverstrooiing. Doel van het onderzoek was antwoord te geven op de vraag of er milieuhygiënische bezwaren bestaan tegen het verstrooien op dierbare plaatsen en op oppervlaktewateren anders dan op zee, en of er door het stellen van voorwaarden aan de mogelijke bezwaren tegemoet kan worden gekomen. Het onderzoek heeft geresulteerd in de eindrapportage 'Milieuaspecten bij incidenteel verstrooien van crematie-as (zie Par. 7.4.3). Er blijken geen directe milieueffecten te verwachten als gevolg van het individucel verstrooien van as. Toch blijft te bezien in hoeverre een (individuele) plek niet bij herhaling hiervoor gebruikt gaat worden. Dit zou alsnog tot ongewenste milieubelasting kunnen leiden.
4.3 Luchtverontreiniging door crematoria
In beginsel is cremeren een hygiënische wijze van lijkbezorging, die het milieu niet zwaar hoeft te belasten. Het vergt relatief korte tijd (1 a 2 uur) om een lijk volledig te verbranden. maar er resteert een zekere hoeveelheid as. Cremeren vereist een optimale verbrandingstechniek, die overigens om ethische en esthetische redenen ook nodig is: het is immers gewenst om het verbrandingsproces zo te laten plaatsvinden dat dit zintuiglijk buiten de verbrandingsruimte niet waarneembaar is. Uit de schoorsteen mag derhalve geen zichtbare rook ontwijken en er mag zich geen geur verspreiden.
In de praktijk blijken zich echter regelmatig problemen voor te doen, die of het gevolg zijn van het meeverbranden van luchtverontreinigende stoffen (materiaal verwerkt in lijkkisten, bekleding daarvan en kleding, prothesen e.d. van de overledenen) of van een niet optimaal verbrandingsproces (bijvoorbeeld door gebreken aan de oven of onjuiste bedrijfsvoering). Bepaalde soorten kunststoffen kunnen hiervan de oorzaak zijn en vooral kunststoffen met chloorverbindingen kunnen zeer hinderlijke effecten hebben, niet alleen voor de omgeving, maar ook wegens aantasting van de ovens of onderdelen ervan.
Uit proeven is gebleken dat het mogelijk is, door het automatisch handhaven van optimale verbrandingscondities, in zowel de oven als de naverbrandingseenheid het crematieproces nagenoeg reuk- en rookloos te laten verlopen. Bij metingen is echter gebleken dat tevens uitstoot plaatsvindt van kwik, dioxines en verzurende stoffen zoals stikstofoxiden. Deze uitstoot is van dien mate dat de technische installaties en de bedrijfsvoering aan bepaalde voorwaarden zullen moeten voldoen, evenals het in de oven in te voeren materiaal. In Par. 7.2 wordt hierop verder ingegaan.
4.4 Hinderaspecten van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden
* Crematoria
De komst van een crematorium heeft evenals een begraafplaats een verkeersaantrekkende werking tot gevolg. In sommige gevallen kan dat hinderlijk zijn voor de omgeving.
Daarnaast kunnen parkeerproblemen ontstaan, bijvoorbeeld bij zeer grote belangstelling voor een plechtigheid.
Crematoria worden zoveel mogelijk buiten de bebouwde kom gebouwd. Echter door de steeds intensievere bebouwing in Nederland ondervinden enerzijds omwonenden in steeds grotere mate overlast van crematoria (o.a. verkeersoverlast), anderzijds ondervinden crematoria in steeds grotere mate overlast van de omgeving (o.a. geluidsoverlast).
Nabestaanden en belangstellenden hechten veel waarde aan rust, discretie en privacy. Anderzijds willen omwonenden het crematorium zo min mogelijk zien.
* Opbaargelegenheden
Voorgaande aspecten gelden eveneens, doch in mindere mate, voor het gebruik van opbaargelegenheden. Was het in vroegere jaren gebruik om de doden thuis op te baren, later stuitte dit om diverse redenen op bezwaren, terwijl bovendien onze huizen daartoe vaak minder geschikt zijn. Thans is weer sprake van een toenemend aantal opbaringen thuis. Soms zijn opbaargelegenheden bijvoorbeeld uit oogpunt van bereikbaarheid minder geschikt. Zij vereisen op zich slechts weinig ruimte, maar kunnen wel problemen van verkeerstechnische aard veroorzaken.
7 ADVIEZEN VOOR CREMATORIA
7.1 Situering en zonering
In Par. 4.4 zijn de knelpunten genoemd bij de locatiekeuze van crematoria. Ter voorkoming van deze knelpunten dient rekening te worden gehouden met de onderstaande zaken ten aanzien van de situering van de inrichting.
Vanwege de toenemende bebouwing in Nederland is steeds minder ruimte beschikbaar. Het is daarom zaak crematoria zo te projecteren dat het karakter van het crematorium wordt gewaarborgd, zonder de omgeving nodeloos ermee te confronteren.
In situaties waarbij omwonenden zich gehinderd voelen, is het aan te bevelen de inrichting te omgeven met groenblijvende beplanting opdat omwonenden zo min mogelijk zicht hebben op het crematorium. Dit bevordert tevens de discretie en privacy van de nabestaanden en belangstellenden.
Door de beplanting (gedeeltelijk) reeds voor de bouw aan te brengen, is bij het in gebruik nemen van de inrichting reeds enige vorm van begroeiing aanwezig.
De ligging van de inrichting dient zodanig te zijn dat het bestemmingsverkeer daarvan geen hinder ondervindt. De inrichting moet goed bereikbaar zijn voor een rouwstoet; omwonenden dienen daar zo min mogelijk overlast van te ondervinden.
In ons land ligt het gemiddelde aantal bezoekers per crematie op 6o, verdeeld over ongeveer 40 auto's. Crematoria dienen over voldoende parkeercapaciteit te beschikken, rekening houdend met de mogelijkheid dat bij meerdere drukbezochte crematies per dag overlapping van bezoekers kan ontstaan. De inrichting dient van voldoende omvang te zijn zodat de uitvaartstoeten voldoende manoeuvreermogelijkheid hebben op de inrichting.
Het aantal verkeersbewegingen op de toegangswegen zal toenemen. De snelheden van de uitvaartstoeten zijn echter relatief laag. Bij en normaal bereden weg kan dus worden verwacht dat de uitvaartstoeten geen significante bijdrage leveren aan het verkeerslawaai.
Crematieovens die voldoen aan de stand der techniek veroorzaken voor omwonenden geen geluidoverlast ten gevolge van de crematieprocessen. Onder normale omstandigheden levert een crematorium dan ook geen significante bijdrage aan het referentieniveau van industrielawaai.
Het is een gemeentelijke taak om de locatie van een crematorium zorgvuldig af te wegen en de bestemming in een bestemmingsplan vast te leggen.
7.2 inrichting van nieuwe crematoria
Het spreekt voor zich dat de inrichting van crematoria optimaal tegemoet komt aan de eisen die in het belang van de dodenbezorging worden gesteld. Daarnaast moet worden voldaan aan eisen op het gebied van hygiëne, veiligheid en het milieu.
Omwonenden mogen geen rook- en geuroverlast ondervinden van de crematieprocessen. Daarom dienen aan de wijze van verbranden, de samenstelling en afvoer van de rookgassen en de te gebruiken installaties, regels te worden gesteld (door middel van de milieuvergunning krachtens de Wet milieubeheer).
Per 1 juli 1998 is een Bijzondere Regeling Crematoria opgenomen in de Nederlandse emissie Richtlijnen (NeR) 3.5/93.1). Deze bijzondere regeling bevat normen voor de geëmitteerde rookgassen en eisen voor de te gebruiken installaties. Deze regeling geldt voor alle nieuw te plaatsen typen gasgestookte crematieovens. Het is de bedoeling deze NeR-regeling op te nemen in de vergunningvoorschriften. Voor alle stoffen (met uitzondering van kwik) geldt dat bij een goed functionerende oven de emissies onder normale omstandigheden onder de grenswaarden van de algemene emissie-eisen van de NeR 3.5/93.1 blijven. Voor kwik legt de NeR een nageschakelde techniek op.
De wetgever voorziet in het voorkomen van geur- en rookoverlast door in het Blb art. 4 te bepalen dat een kist geen kunststoffen mag bevatten anders dan die hiertoe door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen (lid 2, onderdeel b). Deze aanwijzing is geconcretiseerd in het in Par. 4.2.3 besproken Lijkomhulselbesluit. Daarnaast stelt ook de NeR 3.5/93.1 eisen aan de in te voeren materialen.
Als de kisten inclusief bekleding en lijkhoezen aan de in het Blb en de NeR gestelde eisen voldoen, wordt hiervan geen onnodig nadelige invloed meer op bet crematieproces verwacht.
Ondanks dat conform Bib art. 16 het cremeren van een overledene in een zinken en/of loden kist afkomstig uit bet buitenland niet is verboden, wordt zeer dringend geadviseerd zulke kisten te weigeren. Veelal zal dit via de milieuvergunning reeds zijn geregeld/verboden.
De doodskleding kan, zij het in mindere mate, nog wel een nadelige invloed hebben: hoewel dit om ethische redenen niet dwingend kan worden voorgeschreven, is kleding, vervaardigd van natuurlijke, afbreekbare vezels (zoals katoen, linnen of wol) aan te bevelen.
Radioactieve besmetting van overledenen is vrijwel altijd het gevolg van nucleaire rampen en/of incidenten. In het kader van kernongevallenbestrijding wordt aan deze problematiek aandacht besteed.
Radioactieve pacemakers komen vrijwel niet meer voor.
Overledenen met een hoge dosis radioactieve geneesmiddelen in hun lichaam vallen binnen het regime van de Kernenergiewet; een potentieel gevaarlijke dosis wordt immers altijd in een ziekenhuis toegediend, de patiënt wordt aldaar verpleegd en dit ziekenhuis dient er op grond van de verleende vergunning voor zorg te dragen dat radioactieve stoffen niet ongecontroleerd de daartoe aangewezen ruimten verlaten. Dit geldt ook voor gevallen waarin de patiënt zich buiten het ziekenhuis mag begeven. Bij overlijden van met radioactief materiaal behandelde personen dienen steeds de aanwijzingen van het ziekenhuis te worden opgevolgd.
De veiligheid van het personeel dient te worden gewaarborgd. De directie van het crematorium heeft hier een primaire verantwoordelijkheid, waarbij de Arbeidsinspectie met het toezicht daarop is belast. Op grond hiervan zal ook in ieder crematorium een instructie voor de werknemers aanwezig (moeten) zijn. Ook wat de hygiëne betreft lijkt dit vanzelfsprekend. Daarenboven zullen sommige voorschriften die gesteld zijn op grond van de Arbo-wet en de Wet milieubeheer tevens de hygiëne bevorderen. Alle ruimten waar het stoffelijk overschot zich kan bevinden zullen goed reinigbaar moeten zijn.
Men mag ervan uitgaan dat overkisten van uit het buitenland afkomstige lijken in een opbaargelegenheid worden uitgevoerd; wil men dit in een crematorium doen, dan is hiertoe een aparte ruimte met adequate voorzieningen vereist. Crematoria die over een opbaargelegenheid beschikken, zullen vanzelfsprekend moeten voldoen aan modelvoorschriften voor opbaargelegenheden (zie bijlage 1).
De eisen die op grond van de Wet milieubeheer gesteld kunnen worden, zijn weergegeven in modelvoorschriften voor crematoria in het Handboek Milieuvergunningen. Bijlage 4 geeft een samenvattend overzicht van de relevante voorschriften en kan worden gezien als een advies bij bet verlenen van een milieuvergunning.
Omdat het gebruikelijk is dat alle aangeboden stoffelijke overschotten dezelfde dag worden gecremeerd, is doorgaans geen koelruimte vereist.
Bij toepassing van een nageschakelde techniek ter reiniging van de rookgassen moeten de afgevangen vaste deeltjes als crematie-as behandeld worden. Gebruikte filters zijn gevaarlijk afval volgens het BAGA (Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen) en dienen te worden afgegeven aan een vergunninghouder.
7.3 Bestaande crematoria
Het aantal crematoria is de laatste vijftig jaar sterk toegenomen. De oudste zijn toe aan vernieuwing, andere voldoen mogelijk niet volledig aan de modelvoorschriften, genoemd in het hoofdstuk Crematoria in het Handboek Milieuvergunningen.
Door toetsing van bestaande crematoria aan de modelvoorschriften en door middel van de mogelijkheden en procedures die de Wet milieubeheer biedt kan een betere situatie worden bereikt.
7.4 Asbestemmingen
Er zijn diverse bestemrningsrnogeliikbeden voor as (Wlb art. 59 en 6o en Blb art. 10). Na de crematie wordt de as geborgen in een asbus (Wlb art. 58, lid 2). Eventueel kan een gedeelte van de as worden bewaard in een ander afgesloten voorwerp dan een urn, zoals een medaillon (Wlb art. 58, lid 3). Asbussen kunnen worden bijgezet in een columbarium, een urnenveld, in of op een graf of buiten een crematorium gelegen bewaarplaats (Wlb art. 59, lid 2 en art. 62.).
De in de asbus geborgen as kan ook worden verstrooid door de crematoriurnhouder. De as kan worden verstrooid op een daartoe bestemd strooiveld of boven open zee (Wlb art. 59, lid 2, art. 66a en art. 66b).
Voorts kan de asbus na een maand ter beschikking worden gesteld aan een nabestaande die de zorg van de asbus op zich neemt (Wlb art. 59, lid 2 en art. 66a). Deze nabestaande kan ervoor kiezen de as bij te zetten of te ver-strooien op een voor de overledene of nabestaanden dierbaar plekje, de zogenoemde incidentele asverstrooiing.
Tenslotte kan de asbus naar het buitenland verzonden worden (Wlb art. 59, lid 2).
In de volgende sub-paragrafen worden de verschillende bestemmingen van as besproken.
Het bijzetten van asbussen wordt in Par. 7.4.1 behandeld, verstrooiing van as wordt in Par. 7.4.2 behandeld. Incidentele asverstrooiing wordt in Par. 7.4.3 beschreven.
Naast de eerder genoemde mogelijkheden, zullen alternatieve mogelijkheden in aanvullende bewaarplaatsen moeten worden gezocht, al dan niet op de crematoriumterreinen. De Wlb (art. 59, lid I (annex Blb art. 10) en art. 6o, lid I) biedt daartoe mogelijkheden. in een strooiveld kan as hydrologisch geïsoleerd worden geborgen.
Zo'n aan te leggen veld moet van een adequaat drainagesysteem worden voorzien dat kan worden aangesloten op de riolering; de belasting is daarmee te controleren en men kan zo voorkomen dat de verontreiniging zich naar de omgeving verspreidt. Deze opzet is vergelijkbaar met die voor begraafplaatsen.
De benodigde oppervlakte van een strooiveld is klein. Ruiming kan zo ver naar de toekomst worden verschoven, dat emotionele problemen dan verwaarloosbaar zijn.
7.4.1 Bijzetten van asbussen
Bijzetting van asbussen gebeurt in Nederland meestal in een urnengraf of columbarium (Wlb art. 62, lid 1). Of bijzetting van asbussen nu in een columbarium, een urnenveld, een graf of elders plaatsvindt, in de regel zal de as uiteindelijk toch in het milieu terechtkomen.
Een voorkeur voor bijzetting dan wel voor de plaats van bijzetting bestaat uit milieuhygiënisch oogpunt niet. Het spreekt echter voor zich dat na eventuele ruiming het liefst voor de minst belastende eindbestemming wordt gekozen. Indien de as alsnog wordt uitgestrooid, dient aan de voorwaarden van Par. 7.4.2 (verstrooien) en Par. 7.4.3 (incidenteel verstrooien) te worden voldaan.
7.4.2 Verstrooiing van crematie-as
Verstrooien van as kan op diverse plaatsen; de meest gangbare zijn het verstrooien op een daartoe bestemd terrein en boven zee. Het verstrooien van de as op een dierbaar plekje is eveneens toegestaan.
. verstrooien op een strooiveld
In as zijn de meeste elementen van het periodieke stelsel aanwezig. Bij een hoge intensiteit van verstrooiing is het dus denkbaar dat de bodem ontoelaatbaar verontreinigd kan worden. Verstrooien van as op een daartoe bestemd terrein (Blb art. 10) wordt daarom als een potentieel bodemverontreinigende activiteit gezien die kan worden onderworpen aan de Algemene maatregelen van Bestuur op grond van artikel 6, lid 2, sub d van de Wet Bodembescherming. Strooivelden moeten niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd, tenzij bodem- en grondwaterbeschermende maatregelen worden getroffen. De provinciale milieuverordening regelt dit.
Voor het verstrooien van crematie-as kan dezelfde benadering worden gevolgd als bij een bouwstof volgens artikel I, onderdeel b van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Toepassing van de regels uit het Bouwstoffenbesluit op het verstrooien van crematie- as leidt tot marginale bodemverontreiniging.
Strooivelden die onderdeel zijn van een crematoriumcomplex vallen onder het regime van de Wet milieubeheer. Andere, niet Wet milieubeheer vergunningplichtige strooivelden zouden aan soortgelijke eisen moeten voldoen. Uitgangspunt is dat zij, evenals begraafplaatsen, geen verspreiding van verontreiniging naar de omgeving veroorzaken en milieuhygiënisch beheersbaar zijn.
De meest eenvoudige wijze van beheer is ervoor zorg te dragen dat de belasting van de bodem in evenwicht is met de opname door en de afvoer via de aanwezige begroeiing. Bodemonderzoeken hebben uitgewezen dat verstrooien van crematie-as met een hoge intensiteit inderdaad een bepaalde mate van bodemverontreiniging veroorzaken. Deze verontreiniging treedt nagenoeg uitsluitend op in de bovenste centimeters van bet bodemprofiel.
Uit deze onderzoeken blijkt dat de verontreinigingen hoofdzakelijk bestaan uit zware metalen en fosfaat. Vervolgens zijn inventarisaties gemaakt van onderzoeksgegevens en zijn emissieberekeningen van uitlogende componenten volgens bet Bouwstoffenbesluit uitgevoerd. Hieruit blijkt dat fosfaat de maatgevende factor is.
Op grond van onderzoek van het RIVM naar alle uitgevoerde onderzoeken en inventarisaties adviseert de Inspectie Milieuhygiëne het volgende:
Toegestaan is één van de volgende vier mogelijkheden (zie ook bijlage 4):
- Maximaal 90 verstrooiingen per hectare per jaar, zonder dat aanvullende maatregelen nodig zijn. Hierbij wordt uitgegaan van de eenvoudige beheerswijze dat de belasting van de bodem niet groter is dan de opname door en de afvoer via de aanwezige begroeiing.
- Maximaal 370 verstrooiingen per hectare per jaar. Hierbij worden eens per 25 jaar controlemetingen geëist ter bepaling van de verspreiding van verontreinigende stoffen naar het milieu;
- Maximaal 3200 verstrooiingen per hectare per jaar. Hierbij dient de as weer verwijderd te kunnen worden van de bodem. Tevens worden eens per 5 jaar controlemetingen geëist ter bepaling van de verspreiding van verontreinigende stoffen naar het milieu.
- Boven de 3200 verstrooiingen per hectare per jaar dienen er zodanige isolerende maatregelen getroffen te worden dat op geen enkele wijze as in de bodem kan geraken.
Om het aantal verstrooiingen tussen 370 en 3200 per crematorium te verruimen adviseert de Inspectie Milieuhygiëne gebruik te maken van zogenoemde 'wisselvelden'. Dit houdt in dat een crematorium minstens twee strooivelden van voldoende omvang beheert waarvan telkens één strooiveld gedurende een periode van tenminste 10 jaar in gebruik is. Terwijl het ene strooiveld in gebruik is, kan op het andere strooiveld een rustperiode van 10 jaar in acht worden genomen, vergelijkbaar met de wettelijke periode van grafrust. Na deze rustperiode kan worden bemonsterd en indien noodzakelijk kan de verontreinigde grond worden afgegraven en afgevoerd. De minimale oppervlakte van de strooivelden kan eenvoudig worden berekend (zie bijlage 4, asverstrooiing).
Naast bet beheersen/voorkornen van bodemvervuiling door het treffen van beheersmaatregelen kan ook het gehalte aan mineralen in de as, niet afkomstig van het stoffelijk overschot, in verdere verruiming van de capaciteit van strooivelden resulteren.
Vermindering van het gehalte aan zware metalen kan worden bereikt door onder meer:
· Alleen kisten met houten handvatten te gebruiken;
· Vóór de vermaling van de as reeds zoveel mogelijk metalen daaruit te verwijderen met gespecialiseerde apparatuur (zowel voor ferro als non-ferro metalen).
. Verstrooiing in open zee
Vanwege de nagenoeg uitsluitend minerale samenstelling van as, het mineralenbestand van zeewater en de optredende grote verdunning wordt de as opgenomen in een grote kringloop, waardoor overbelasting niet verwacht hoeft te worden. Verstrooiing op zee is dus de minst belastende wijze van asbestemming voor het milieu.
7.4.3 Asverstrooiing op een dierbare plaats (incidentele asverstrooiing)
Wijziging van de Wet op de lijkbezorging in 1998 heeft er toe geleid dat nabestaanden de mogelijkheid krijgen om de as van overledenen op een zelf gekozen plek te verstrooien (Wlb art. 59, lid 2 en art. 66a, lid 2). Op deze wijze is tegemoetgekomen aan een maatschappelijke wens om te verstrooien buiten een permanent daartoe bestemd terrein zoals het strooiveld bij crematoria en begraafplaatsen.
Incidentele verstrooiing door de nabestaanden op een voor de overledene dierbare plek mag in beginsel overal, tenzij anders geregeld. De Wet op de lijkbezorging stelt geen nadere regels omtrent deze incidentele asverstrooiing. Vanuit milieu-optiek levert een eenmalige asverstrooiing geen bezwaar op. Overheden kunnen met behulp van het bestaande instrumentarium regelend optreden. Dit mag niet betekenen dat incidenteel verstrooien praktisch gezien onmogelijk wordt. Ook mag de mogelijkheid om incidenteel te verstrooien in principe niet worden gebonden aan een vergunningvereiste. Zo kunnen gemeenten in een verordening regels opnemen betreffende de incidentele asverstrooiing. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft hiertoe een circulaire met twee modelbepalingen APV opgesteld.
De ene variant staat verstrooiing overal toe, met uitzondering van enkele plaatsen, zoals openbare wegen, stoepen, pleinen en dergelijke. De andere variant verbiedt verstrooiing met uitzondering van met name genoemde locaties. In de praktijk blijkt dat deze laatste variant niet of nauwelijks wordt toegepast.
De overheid heeft de volgende instrumenten om daarin regelend op te treden:
· Door middel van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kunnen gemeenten nadere regels stellen om incidentele asverstrooiing te reguleren. Zo kunnen regels worden gesteld aan het verstrooien op openbare plaatsen en het verstrooien op bepaalde tijdstippen.
· Artikel 6 van de Wet Bodembescherming geeft de mogelijkheid een AMvB vast te stellen met betrekking tot asverstrooiing op de bodem. Het Ministerie van VROM heeft echter aangegeven dat zij dit niet overweegt vanwege het geringe bodembeschermingbelang.
Naast de bovenstaande instrumenten kunnen de provinciale staten op grond van art. 1.2 van de Wet milieubeheer een provinciale milieuverordening vaststellen waarin regels kunnen worden opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater in waterwingebieden.
Voordat as op een dierbaar plekje kan worden verstrooid, dient te worden nagegaan of de plek daarvoor geschikt is. De crematoria wordt geadviseerd daartoe de wet- en regelgeving te raadplegen en de nabestaanden hierover voor te lichten. Voor de nabestaande moet duidelijk worden dat aan de plek (en de eigenaar daarvan) geen eisen kunnen worden opgelegd ten aanzien van de (on)toegankelijkheid van de plek na verstrooiing (en het toekomstige gebruik ervan).
. Verstrooien op binnenwateren
Het verstrooien van crematie-as boven oppervlaktewateren valt formeel onder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Normaliter is dan een Wvo- vergunning nodig of er is in algemene regels aangegeven waar asverstrooiing mag plaatsvinden.
De verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit van de Nederlandse binnenwateren ligt bij Rijkswaterstaat, de provincie of de waterschappen. In principe vallen alle grotere bevaarbare waterwegen onder de verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat. Alle wateren die niet onder Rijkswaterstaat vallen, vallen onder de verantwoordelijkheid van de provincie, die het beheer in de meeste gevallen uitbesteedt aan waterschappen en/of zuiveringsschappen. Via de gemeente kan nagevraagd worden tot wiens verantwoordelijkheid het water behoort waarop de nabestaande wil verstrooien.
Vanwege het feit dat het hier gaat om een lozing van zeer beperkte omvang en er daarom geen meetbare nadelige beïnvloeding van het ontvangende oppervlaktewater te verwachten is, wordt afgezien van vergunningprocedures. Wel is in alle gevallen een melding vereist. Dit is een voorlopig standpunt.
Bij waterschappen is het ingewikkelder om toestemming te krijgen, omdat elk waterschap zelf zijn regels bepaalt of beleid vaststelt ten aanzien van asverstrooiing op haar wateren. In het het algemeen zullen de waterkwaliteitsbeheerders geen bezwaar hebben.
Voor het verstrooien op zee binnen de territoriale zone gelden de reg els van de Wet verontreiniging zeewater (Wvz). Art. 3 stelt weliswaar dat geen afvalstoffen mogen worden geloosd op het zeewater, maar dit verbod is niet toegespitst op het verbieden van verstrooien van crematie-as op zee. Ontheffing kan worden verleend door de Ministers van V&W en VROM (art. 4) of het kan bij AMvB worden toegestaan (art. 3).
8 NIEUWE ONTWIKKELINGEN
Per 1 juli 1998 is een Nederlandse Emissie Richtlijn in werking getreden waarin eisen zijn opgenomen aangaande nieuwe verbrandingsinstallaties in crematoria (NeR 3.5193.1). Daarin wordt onder meer voorgeschreven dat de uitworp van kwik niet meer mag bedragen dan 0,2 mg/ Nm³. Met de huidige beproefde techniek betekent dit per crematie een kostenverhoging tussen circa tweehonderd en vijfhonderd gulden; een en ander afhankelijk van het type crematie-oven en het aantal crematies per jaar.
Voor bestaande crematoria is deze regeling niet van toepassing maar het ligt in de lijn der verwachting dat voor deze crematoria eveneens een Bijzondere regeling in de NeR zal worden opgenomen. Deze bijzondere regeling zal naar verwachting eerst eind 2000 worden uitgebracht.
Teneinde de hiervoor vermelde kwikreductie te bereiken vinden thans praktijkproeven plaats met een relatief goedkope nageschakelde techniek. Deze maakt gebruik van de eigenschap dat kwik amalgameert als het in contact komt met metaal. Dioxinen worden met deze techniek niet afgevangen, maar daarvoor kan tevens een actief koolfilter worden nageschakeld. Daarmee wordt dan tevens voldaan aan de in de NeR opgelegde inspanningsverplichting om de dioxine-uitstoot zoveel als mogelijk te reduceren.
In de omringende Europese landen, zoals Duitsland en België zijn al concrete normen gesteld ten aanzien van de dioxine-uitstoot. Wellicht dat op middellange termijn ook in Nederland aan deze dioxine-norm moet worden voldaan.
Thans verbiedt de Wlb art. 71 balseming van of enige andere conserverende bewerking aan een overledene. 0p dit moment gaan er stemmen op ter versoepeling van deze wetgeving en wordt onderzocht of thanatopraxie op grond van medische, juridische en ethische aspecten kan worden toegestaan.
Onder thanatopraxie wordt verstaan het tijdelijk conserveren van een stoffelijk overschot met het oogmerk gedurende de periode van opbaring de lijkontbinding te remmen, de hygiëne te bevorderen en de overledene een natuurlijker aanzicht te geven. Het is niet de bedoeling dat de lijkvertering door toepassing van thanatopraxie op termijn wordt geremd.
Door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt op dit moment de Wet op de lijkbezorging geëvalueerd met het oogmerk om eventueel knelpunten op te sporen. Hierbij valt onder meer te denken aan de ruimingtermijn voor asbussen die thans op twintig jaar is gesteld.
Bij de evaluatie van de Wet op de lijkbezorging komt tevens de wens aan de orde om het gebruik van lijkkisten bekleed met of van zink en/of lood, afkomstig uit het buitenland, voor het begraven en cremeren in Nederland te verbieden. Dit betekent dan dat de overledene dient te worden overgekist. Het mortuarium op Schiphol biedt deze faciliteit reeds voor overledenen die aldaar ons land binnenkomen.
· Er is momenteel onderzoek gaande naar de mogelijkheid om lijkkisten te vervaardigen van polymeren op basis van zetmeel ter vervanging van hout of spaanplaat. Deze biopolyineren zijn volledig afbreekbaar en door middel van toevoegingen kunnen eigenschappen zoals treksterkte, rek en afbreekbaarheid worden gevarieerd. Het materiaal dat qua uiterlijk niet afwijkt van de nu gebruikelijke kisten heeft als bijkomende voordelen een gewichtsreductie van circa 50%, het ontbreken van metalen delen zoals schroeven en krammen en een reductie van de as hij crematie tot minder dan 1 gram per kist.
· In Par. 5.5 werd reeds melding gemaakt van de mogelijkheid om overledenen in speciaal daarvoor bestemde vriescellen te bewaren. De wens daartoe doet zich onder meer voor bij lijkvindingen waarbij het om psychohygiënische redenen niet verantwoord is om de overledene op de gebruikelijke wijze in een koeling te bewaren.
· Sinds de Wlb art. 58, lid 2 toestaat dat de as in meerdere bussen mag worden geborgen en dat een (klein) deel van de as op andere wijze mag worden geborgen, is er een ontwikkeling in gang gezet waarbij crematie-as op velerlei wijzen wordt bewaard. Er zijn tegenwoordig niet alleen asmedaillons, maar ook mini-urnen met as en siervoorwerpen waar een deel van de as in is verwerkt.
· De Hoofdinspectie Rijkswaterstaat beeft een enquête verstuurd naar alle waterkwaliteitsbeheerders met de vraag naar hun standpunt tegenover het verstrooien van as op het water. Aan de hand van de uitslag zal worden bekeken in hoeverre er algemene regels kunnen komen met betrekking tot het verstrooien van as op water.
· Er worden thans initiatieven ontwikkeld om te komen tot professionalisering ten aanzien van het opgraven, herbegraven en ruimen. Gedacht wordt aan certificering van deze werkzaamheden.
· Het wordt wenselijk geacht naar verteringsprocessen en de effecten daarvan op het milieu verder onderzoek te doen teneinde goed gefundeerd te kunnen adviseren. De landelijke organisatie van Begraafplaatsen heeft aan een dergelijk onderzoek medewerking toegezegd.
Bijlage 4
Modelvoorschriften voor crematoria in het kader van de Wet milieubeheer.
In deze bijlage zijn alleen de Specifieke voorschiften voor de milieucompartimenten lucht, bodem en geluid opgenomen. De overige modelvoorschriften zijn te vinden in bet Handboek Milieuvergunningen.
1. Bodem
Voor het verstrooien van crematie-as kan dezelfde benadering worden gevolgd als voor een bouwstof volgens artikel I, onderdeel b van bet Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Toepassing van de regels uit bet Bouwstoffenbesluit op het verstrooien van crematie-as leidt tot marginale bodemverontreiniging.
Voor de regels omtrent het verstrooien van as wordt verwezen naar Punt 3 in deze bijlage.
Strooivelden mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd, tenzij bodem- en grondwaterbeschermende maatregelen worden getroffen. De provinciale milieuverordening kan hiervoor regels bevatten.
2. Geluid
2.1 Het equivalents geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden, mag gemeten op 5 m hoogte op enig punt op de terreingrens niet meer bedragen dan:
50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;
45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.
2.2 Op zondagen en algemeen erkende feestdagen gelden tussen 07.00 en 19.00 uur de niveaus van de periode tussen 19.00 en 23.00 uur.
2.3 Piekwaarden die een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten mogen ter plaatse van woningen van derden en/of andere geluidsgevoelige bestemmingen gemeten als Lmax in de meterstand 'fast' niet meer bedragen dan:
6o dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;
55 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
5o dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.
2.4 Het voorschrift 2.3 is niet van toepassing op het laden en lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.
Het voorschrift 2.3 is eveneens niet van toepassing op het in en uit de inrichting rijden van motorvoertuigen, voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.
2.5 Controle of berekening van de in de geluidsvoorschriften vastgelegde geluidsniveaus, moet geschieden overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01", van maart 1981, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Toelichting:
Indien het getuid afkomstig is van een muziekapparaat wordt op de gemeten of de berekende equivalente geluidniveaus LAeq een toeslag van +10 dB(A) gegeven.
Als het geluid alleen een tonaal enlof impulsachtig karakter bezit, wordt een toeslag van +5 dB(A) gegeven.
2.6 Het gebruik van radio's, akoestische signalering en omroepinstallaties is slechts toegestaan indien deze geluidsbronnen buiten de inrichting niet hoorbaar zijn.
2.7 Omroep- of muziekinstallaties moeten zodanig zijn afgesteld dat deze buiten de inrichting niet hoorbaar zijn.
3. Asverstrooiing
3.1 Verstrooiing van as moet gelijkmatig geschieden en zodanig dat de as niet door verwaaiing buiten het terrein van de inrichting of het strooiveld terechtkomt of kan komen.
3.2 Een onderzoek van het RIVM naar alle uitgevoerde onderzoeken en inventarisaties leidt tot de volgende conclusie omtrent de hoeveelheden as die verstrooid mag worden:
3.2.1 Maximaal 90 verstrooiingen per hectare per jaar, zonder dat aanvullende maatregelen nodig zijn;
3.2.2 Maximaal 370 verstrooiingen per hectare per jaar, met de volgende aanvullende maatregelen:
· Bepaling van de concentraties zware metalen in de toplaag van het strooiveld en het afstromend grondwater conform NVN-5470 en de in deze voornorm vermelde NEN- normen voor monsterneming, conservering, menging en analyse. Deze bepaling dient eens per 25 jaar te worden verricht. De concentraties zware metalen mogen niet hoger zijn dan de interventiewaarden.
· Bepaling van de immissie van zware metalen naar de aangrenzende bodem of bet oppervlaktewater op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven, en de in bet Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Deze bepaling dient eens per 25 jaar moeten worden verricht. De immissies mogen de in het Bouwstoffenbesluit gestelde grenswaarden niet overschrijden;
· Bepaling van de concentratie en de immissie van fosfaat op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN- normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven en de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Hierbij dienen de uitloogproeven te worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het strooiveld. Deze bepaling dient eens per 25 jaar te worden verricht. De immissie mag niet hoger zijn dan 1.000 mg /m² per jaar;
· Bij geconstateerde overschrijdingen van de voorgeschreven normen dienen maatregelen genomen te worden ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging naar het omringende milieu. Hierbij zijn de regels van de Wbb van toepassing.
3.2.3 Maximaal 3200 verstrooiingen per hectare per jaar, met de volgende aanvullende maatregelen:
· Bepaling van de concentraties zware metalen in de toplaag van bet strooiveld en het afstromend grondwater conform NVN-5470 en de in deze voornorm vermelde NEN- normen voor monsterneming, conservering, menging en analyse. Deze bepaling dient eens per 5 jaar te worden verricht. De concentraties zware metalen mogen niet hoger zijn dan de interventiewaarden. Bepaling van de immissie van zware metalen naar de aangrenzende bodem of het oppervlaktewater op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven, en de in bet Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Deze bepaling dient eens per 5 jaar te worden verricht. De immissies mogen de in het Bouwstoffenbesluit gestelde grenswaarden niet overschrijden;
· Bepaling van de concentratie en de immissie van fosfaat op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN- normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven en de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Hierbij dienen de uitloogproeven te worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het strooiveld. Deze bepaling dient eens per 5 jaar te worden verricht. De immissie mag niet hoger zijn dan 1.000 mg /m² per jaar;
· Bij geconstateerde overschrijdingen van de voorgeschreven normen dienen maatregelen genomen te worden ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging naar het omringende milieu. Hierbij zijn de regels van de Wbb van toepassing. Tevens dient volgens de regels van het Bouwstoffenbesluit de as van het strooiveld te worden verwijderd.
3.2.4 Boven 3200 verstrooiingen per hectare per jaar dienen er zodanige maatregelen te worden getroffen dat op geen enkele wijze as in de bodem kan geraken. Onderafdichting van het strooiveld en controle op het percolatiewater geldt als isolatiemiddel in de zin van het Bouwstoffenbesluit.
3.3 Tevens adviseert de Inspectie Milieuhygiëne het gebruik van wisselvelden. De minimale oppervlakte van de twee wisselstrooivelden kan eenvoudig berekend worden.
3.4 Bij het gebruik van wisselvelden gelden de bovengenoemde regels voor controlemetingen ter bepaling van de verspreiding van verontreinigende stoffen naar het omliggende milieu. Bij een maximaal aantal verstrooiingen van 370 per hectare per jaar kunnen de concentratiebepalingen van zware metalen in de bovenlaag echter achterwege worden gelaten. Dit geldt niet voor de immissiebepalingen.
4. Lucht
4.1 Er is een NeR-regeling voor crematoria, deze is van toepassing op nieuwe installaties.
4.2 De berekening van de emissieconcentraties moet worden betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normale condities van een rookgas.
Elke installatie moet zodanig worden bediend en zijn afgesteld dat:
4.2.1 De concentratie koolmonoxide bij de uitmonding van de schoorsteen de waarde van 5o ppm niet overschrijdt;
4.2.2 Voor nieuwe installaties geldt voorts nog dat:
· De uitworp van kwik en kwikverbindingen in de buitenlucht niet meer bedraagt dan 0,20 mg/m³0, berekend als Hg;
· De vorming van NOx wordt beperkt door het toepassen van low-NOx-branders in de oven en in de naverbrander.
4.3 Binnen zes maanden na het van kracht worden van de vergunning dient een emissierapport aan bet bevoegd gezag te worden opgestuurd. Indien reeds een emissierapport met soortgelijke emissie omstandigheden bestaat (crematorium elders), kan worden volstaan met het opsturen van bet reeds bestaande rapport.
4.4 In elk rookkanaal van een crematieoven moeten monsterpunten aanwezig zijn, waardoor op eenvoudige wijze monsters van de rookgassen kunnen worden genomen.
4.5 De uit de crematieovens ontwijkende gassen en dampen moeten alvorens te worden uitgeworpen in een aardgasgestookte naverbrandingseenheid worden gereinigd.
4.6 De besturing van de installatie moet zodanig zijn ingesteld dat de naverbrandingsinstallatie op maximale capaciteit is ingeschakeld voordat een voorziene piekbelasting kan optreden. De temperatuur in de naverbrandingseenheid moet tijdens het proces ten minste 800 °C bedragen. Het zuurstofgehalte van deze gassen moet gedurende de gehele crematietijd tenminste 6% bedragen.
Het is echter toegestaan dat gedurende maximaal een minuut per crematietijd dit percentage tot niet minder dan 3% daalt.
4.7 De verblijftijd van de rookgassen in de naverbrandingseenheid moet tenminste 1,5 seconde bedragen.
4.8 De regeling waarmee de ovenverbrander(s) en de branders van de naverbrandingsinstallatie worden gestuurd moet automatisch werken en zodanig functioneren dat pyrolyse in de oven wordt voorkomen. De verbrandingsprocessen dienen op basis van zuurstofgehalte en temperatuur te worden aangestuurd.
4.9 Het temperatuurverloop en het 02-gehalte in de naverbrandingsinstallatie moeten worden geregistreerd.
4.10 De meetgegevens van de in voorschrift 4.9 genoemde meetapparatuur dienen tenminste 1 jaar te worden bewaard en moeten desgevraagd aan de controlerende ambtenaar kunnen worden overgelegd. Deze gegevens moeten zijn voorzien van tijd en datum.
|
|